xxx

Ik denk dat het een erfenis is uit mijn puberverleden, maar ik heb nogal vaak de neiging om bij het einde van een mail af te sluiten met

x,

qahwa.

En zonet gebeurde het dat ik een deftige mail naar mijn mentor moest sturen en in plaats van ‘mvg’ gewoon x, typte. En op send duwde en ‘fuck’ zei.

verhaaltje voor het slapengaan

Ja, ik ben al terug en ja, ik leef nog. Al heeft dat laatste niet veel gescheeld. Cry.

Ik wil jullie toch deze levensreddende wijsheid meedelen: drink in godsnaam niet van een flesje water dat je opnieuw gevuld hebt met water uit de kraan als dit al twee weken op uw nachtkast staat.

Meer uitleg? Ik ga vroeg slapen, word wakker, sluit mijn raam, drink een slok water uit het flesje dat ik, dacht ik, gisteren uit de frigo naar boven had meegebracht en stap vervolgens slaapdronken weer in bed. Ik lig nog maar net in bed als ik het opeens heel benauwd krijg, mijn keel begint te gloeien en ik bijna geen adem meer lijk te krijgen. Het ruikt naar verf in mijn kamer, zo verf om uw ramen opnieuw te bruinen, waarschijnlijk van mijn raam open te laten denk ik, hoewel het al 11u ’s nachts is. Het pakt serieus op mijn adem. Ik hoor geritsel in de badkamer en ga mijn zus gaan vragen of ze eens wil komen, en of die verfgeur ook zo op haar adem pakt. Ze komt binnen, ruikt, en ruikt niets. Allez zeg ik, raar, terwijl ik probeer om dat gevoel in mijn keel te negeren. Vervolgens pak ik (opnieuw) mijn flesje en drink nog wat om dat gevoel weg te spoelen. Nog maar net gedronken en opeens weet ik waar de boosdoener zit: het flesje water zelf. Na de laatste drie slokken had ik al helemaal moeite om nog te ademen en in paniek loop ik naar beneden, het flesje in de hand. Het flesje ruikt naar verf. Het stinkt. Mijn slokdarm staat, zo lijkt het wel, in brand.

Conclusie, ik had slaapdronken van het verkeerde (opnieuw met water gevulde) flesje water gedronken, datgene dat al twee weken in de warmte op mijn kastje staat. Ik denk dat de bacteriën zich in zo’n omstandigheden wonderbaarlijk rap hebben voortgeplant, waardoor er een of andere chemische reactie ontstaan is, waardoor ik bij het drinken bijna leek te stikken. Voorwaar geen leuk gevoel. Een yohurtje later is al veel leed verholpen, maar toch:

Geen opgevulde flesjes water meer voor mij, dankuwel.

*probeert nog eens diep te ademen*

valiezen maken

Als er één ding is waar ik de shivers van krijg dan zal het wel valiezen maken zijn. Voor trektochten de rugzak gereed maken, dat is zo erg nog niet, want dat kreukt en kronkelt toch maar. Zelfs met de beste wil van de wereld kunt ge toch niet het proppen van uw kleren voorkomen. En ge doet uw beperkte kleren toch 3 of 4 dagen aan. Occasioneel wast ge uw onderbroeken en hangt die achteraan uw rugzak in de zon te drogen. Als er zon is, tenminste. Maar deze maal moet ik kleren voorzien voor een receptie op de Belgische ambassade (decadent, i know), korte broeken voor overdag, lange broeken tegen de malariamuggen, liefst nog linnen, geen te korte mouwen, ook niet te lang, allemaal katoen, open schoenen, dichte schoenen, sportschoenen. Dan moet dat nog allemaal in de mate dat het mogelijk is een beetje passen op elkaar. Wijvenweek gedaan? Don’t think so.

Bovendien moet ik nog muskietennetten gaan kopen (weet iemand of ge dat ook echt ruikt als dat geïmpregneerd is? Want anders heeft een snoodaard 15 euro uitgespaard door de inhoud van het zakje te verwisselen met een niet-geïmpregneerd), deetoplossingen (30,40,50%?), haarrekkerkes, cadeautjes voor onze gastfamilies, schrijfplankjes, schrijfgerief, internationale stekkerdoos, vitamine B meenemen om te stinken voor de muggen, oordopkes, tandenborstel, zonnebril, een niet te dikke slaapzak, een boek, USBstick, een slaapmatje, een hoofdkussentje, motilium, immodium, de hele santenboetiek. het houdt niet op. Stress!

U zal me vanaf zondag een tweetal weken niet zien – niet dat dat eigenlijk veel verschil uitmaakt. Ik ga in Manilla de zon gaan groeten, en passant nog eens Dubai ook.

één april

Het duurde meestal 5 minuten eer we ons serieus konden houden. Dan nam de meest serieuze de telefoon en vormde het nummer van mr. Pannecoucke, wachtte tot de telefoon werd opgenomen, en dan. “met Pannecoucke”. “Hallo Pannecoucke, met Wafel hier. Wil je de bruine suiker eens doorgeven?”

Haa…. 1 April…

[wijvenweek] Shoppipola

wijf.gifIk ben een wijf en ik heb een blog, dus niets belet mij om met deze wijvenblog mee te doen aan de wijvenweek met als dag 2: shoppen.

Er zijn er zo te lezen nog, maar shoppen is voor mij niets meer dan absolute noodzaak. Ik kan mij sinds mijn middelbare jeugd niet meer herinneren dat ik met een versleten broek vol shopgoesting een winkel ben binnengestapt, of mij met open mond heb laten overdonderen door de immense klerenaanwezigheid in de h&m. Ik heb geen verstand qua kleurencombinaties en vormcombinaties whatsoever. Pijnlijk tot die constatatie gekomen ook, dit weekend. Ik, graag wat extra centjes bijverdienend door op Pasen te gaan werken, sta in een stockverkoop kleren op te plooien en occasioneel een broek of rok aan te wijzen. Mijn klerenkast, kamerzetel en kamervloer kunnen het beamen: opplooien, kleren, en ik – dat gaat niet samen. Strijken ook niet, trouwens. Dus de kleren die ik aanheb zijn niet gestreken en niet opgeplooid, bij deze weet u dat ook. Edoch, alles voor het geld, dus daar sta ik, aan mijn grote opplooitafel, in dat immense en koude, koude magazijn. Gehuld in kleren die de mijne niet eens waren, en mij zelfs werden aangewezen door de eigenares van het spellement. Wat nogmaals de esthetische waarde van mijn kleren bewijst.

“Mevrouw (ja, ik zag er wel mevrouw uit, met die kleren, juk), kan u eens iets geven dat past bij deze broek?”. Kleur broek: bruin-grijs-olijfgroen met een roze streepje. Een roze streepje: dus daar past iets op met roze in, dacht ik zo. Dus ik duchtig zoekend naar iets rozig, wijl de dochter van de dame in kwestie die ondertussen al naarstig t-shirts aan het stapelen was, haar oogst op mijn gigantische plooitafel, net boven de broek, mikt.

“Nee, èèèèih, hoegenaamd niet!” kokhalst de dochter bijna, terwijl moeder beamend knikt van “Ma eih, echt niet he, lelijk!”. Boven de broek lag de T-shirt die ik hen juist wou gaan aanreiken.

Quod Erat Demonstrandum.

Shoppen en ik, wij gaan niet samen. Ik doe het ook echt niet graag. Tenzij tweedehandswinkels binnenslenteren. Maar ik kan gigaaaaaaaaaantisch genieten als ik iets heb gevonden, ojawel. Zo slecht is het nu ook weer niet gesteld. En mijn laatste rok is echt njam.

En zei ik al dat ik kleine benen heb? Ik heb kleine benen. Benen met broeken aan die steevast ingelegd moeten worden. En zelfs met maatje 34 vanvoor en vanachter gapen. En ik heb nog broeken van in mijn middelbareschooltijd die ik aandoe.

Quod Erat Demonstrandum kwadraat.

En als u nog meer wil lezen over mijn andere vestimentaire gewoonten: kliktekeerier

De slag om het gravensteen

Onlangs was ik, zoals het een goed student betaamt (knipoog knipoog) aan het zagen over de prijzen van het bier. En meerbepaald de prijs van een pintje op ons overigens superdemaxe feestje in de Sioux; want € 1,80 vind ik pure afzetterij. (Overigens verdienden wij helemaal niets aan drank, werd er ook al was het ‘voor het goede doel’ helemaal geen percentje gegeven, profiteerde hij zo van ons 400 man-envrouw-tellend feestje om woekerwinsten, ahum, te maken) waarop mijn disgenoot mij meedeelde dat ik anders het Gravensteen kon gaan bezetten, hetgeen ik een rare gedachtenkronkel vond.

Hij verzekerde mij dat het zo raar niet was: dat het nog al eens bezet was geweest door studenten die de bierprijzen te hoog vonden. En ik was het al bijna vergeten toen ik dit tegenkwam op het wereldwijdeweb.

Het begon, zoals alle goede studentenprestaties, tussen pot en pint in een of andere drankgelegenheid. Daar vatten enkele studenten het plan op et oude Gravensteen, voor enkele uren althans, in te nemen. Het waren Felix de Hemptinne, Tony Claeys, Henry Hubené, Ludo Tollenaere, Valeer Van Overwalle en Jos De Seranno. Op die bewuste woensdag 16 november 1949 werd in alle faculteiten geheime pamfletten rondgedeeld met de boodschap:

“Dit briefje vlug en onopgemerkt laten doorgaan. De inhoud ervan geheimhouden. Commilitones, neemt allen deel aan de reusachtige studentengrap die op touw wordt gezet voor woensdag 16 november. Scenario : bezetting van het Gravensteen. Weest gij ook op post : komt het Gravensteen binnen tussen 14.30 en 15.10 u. Alles is geregeld voor uw aankomst. Komt niet in groepen. Bergt uw flatten in uw zak en blijft kalm en gedisciplineerd. Waarschijnlijk bierclub in het Gravensteen. Brengt munitie van alle slag, doch onopgemerkt, desnoods ook uw boterhammen mee. Einde tussen 18 en 19 uur??? Wachtwoord : Uilenspiegel! Belangrijk bericht : Zweigen. Feind hört mit!’

(Bron)

Het weze misschien een idee voor de activistische studenten onder ons. We bezetten het Gravensteen, overgieten belagers met kokend bier en bekogelen hen met boterhammen met salami. En als ze niet naar ons willen luisteren, zetten we hen de duimschroeven op. In extremis, de guillotine.

bolketten en chinezen

Wanneer ik met zus en buurmeisje, achternagezeten door het neefje van de pastoor, en met mickey-mouse en donald-duck boekentas op de rug langs de kerk naar huis kwam geslenterd, ging het altijd wel over wat ene of gene in de klas had uitgespookt, wat meester Ee, Pee of Jiepie had gezegd, of over al de kinderwereldschokkende gebeurtenissen tijdens de speeltijd. Toen ik om 4 uur mijn boterham kreeg en mama informeerde naar hoe het geweest was op school kon niets mijn opwinding of teleurstelling verbloemen als er nieuwe rages waren opgedoken (jeuj voor het springtouw, awoert voor de voetbal). Op de lagere speelkoer ging alles in vlagen. Was het enkele weken windstil en nam iemand een springtouw mee, dan werd er de komende maanden niets anders gedaan dan gespringtouwd. Ooit was ik zo fier als een gieter dat ik een ‘nieuwe rage’ ontketend had op school (hinkelen, jeuj!) dat ik zowaar een beetje sentimenteel werd bij het lezen van de commentaren bij meneer Inghels.

Net zo leuk als over de winterochtendlijke bevroren plassen glijden (ik wou slieren zeggen, maar dat verstaan ze klaarblijkelijk enkel in een straal van 5 km rond hier), in gigantische wastouw-springkoorden springen en er-is-een-vrouw-vermoord, aan een gordijnenkoord zingen, was met de benen open op de dorpel van de ‘galerij’ gaan zitten, de knikkers op het randje van de goot leggen, met een steentje een weloverwogen lengtemaat aanduiden en je marchandise luidop aanprijzen.

knikkers2.gif

Twintig centimeter voor een olie. Veertig centimeter voor een Chinees. Een meter voor een bolo. Een halve meter voor een rijtje van drie halve manen. Ik was kampioen in pruillip opzetten en te vermelden dat degene die mijn knikker afschoot toch wel ‘gepoot’ had, en de afgeschoten knikker dusdoende helemaal niet als ‘afgeschoten’ kon worden beschouwd, idem door te suggereren dat hij waarlijks mijn afgebakende lijn niet had gerespecteerd en alle gewoontjes waar hij mee schoot, en die in de goot beland waren, bijgevolg dus ook de mijne waren. Mijn lengtes waren ook altijd veel te groot, dat spreekt.

Dan kwam ik thuis met mijn door mama genaaide knikkerzak die in vergelijking met die van broer maar magertjes uitviel. Legde ik eens iets, dan had ik wel een grote mond maar dat was vooral om de heilige schrik om er eentje te verliezen te verdoezelen. Als ik een ‘afschietpoging’ ondernam en die mislukte, zat ik een hele middag te treuren om het verloren gewoontje zodat ik het enkele keren zelf gewaagd heb om half huilend naar de ‘hogerejaars’ te gaan en te vragen of ik a.u.b. niet mijn olielamp terugkreeg, want ik had die zelf moeten betalen en nu was ik die kwijt. En ween ween huil huil. Wat meestal ook wel lukte, maar mijn knikkernaam werd zodoende al even snel besmeurd als de knieën van onze broeken. Knikkerrage op school, dat was dus ook de tijd om de broek aan te trekken met beschermende lappen op de knieën, ’s avonds door de mama met veel liefde erop genaaid om de gaten te bedekken.

Maar als kleine buk keek ik dan ook met veel ontzag op naar de groten die het aandurfden om een multi te leggen, en aldus knikkerzakken vol knikkers te vergaren. Voor hen werd de meest strategische plek van allemaal voorbehouden: de kant van de Nieuwstraat. Van alle kanten werd de multi gebombardeerd, nog niet in het minst door de gelukzak die in een vergeten hoekje of putje een knikker had ontdekt en die als een kostbare schat inzette om toch maar het hoofddoel af te schieten. De stoere jongens lagen met één toegeknepen oog op hun buik en maanden de meisjes aan om hun territorium niet te betreden. Want wij waren gemakkelijke zondebokken, zeker als we snel van de ene kant van de toeschouwerrij naar de andere kant wouden springen. Een multi leggen, dat stond ook gelijk aan een week naam en faam in de annalen van ons schoolke.

Maar er werd ook gefraudeerd: in plaats van bolketten werden er ronde sjiekebaksjieken gelegd. Of werd er twintig frank voor een bolo gevraagd. En als het regende, was de hele school collectief in de rouw omdat onze galerij te klein was.

Maar om op de commentaren terug te komen:

Wij kenden geen ketsers, spikkels, sliertjes of smurfen. Wat mij doet veronderstellen dat knikkernamen inderdaad streekgebonden zijn. Bij ons waren het bolo’s, halve bolo’s, multi’s, mega’s, turtles, halve manen, olies, ninjas, gewoontjes, stekkers, minis, lampen, wratten, mega’s en reuzen, en chinezen.

De naam van de blauwe met een rood/geel/groen/oranje streepke alsook de zwarte met een wit streepke kan ik mij niet meer herinneren.

Bij u?