uurwerketen.jpg

Gisteren begonnen met een (gelukkig maar) drie dagen durende vakantiejob. Waar het gisteren nog legerbroeken voorzien van etiket was, dat in zakjes steken, en hup den bak in (aangenaam met vier aan één tafel), was vandaag “orderpicken” aan de orde. Ge kent dat waarschijnlijk wel, geef mij tien t-shirts in maat 6 en acht broeken in maat 36, slalom met uw hoogst onhandige en lompe karren door de veel te dunne rijen en steek het in de juiste doos: enfin, steeds een heleboel door elkaar, met veel door elkaar. Rekent dan ook nog eens dat ge gemiddeld 2 km afstand, per uur, overbrugt tussen de broeken en rokken en dozen bestemd voor Italië en Diest en dan begrijpt u wel dat ik een beetje pompaf ben, met pijn aan polsen en rug er gratis bij. Ook vrij eenzaam zo 8 uur bezig zijn met een blaadje en broeken, truien en rokken.

Maar enfin, over dat werk wou ik het nu niet hebben. Wel over de mensen die er werken. Ge kunt er zo uithalen wie eens voor zichzelf bepaald had bevelen uit te delen en wie ze liever wou opvolgen.. Of wie beslist heeft jobstudenten als vliegestronten te behandelen.

Bijvoorbeeld chagrijnige oude kuisvrouw, laten we haar Martha noemen. Martha doet zich beleefd voor: ‘mag ik eens passeren jong’? terwijl ze al met haar ellebogen in uw zij staat te beuken. Of die van sprekende klok speelt als de middagpauze om kwart na één gedaan is en gij nog uit de WC komt. ‘Het is al twintig (het was: zestien) na één, ge moogt hier niet meer staan, ge moest al aan het werk zijn!’ waarna ze luidkeels onze lofzang zingend haar weg vervolgt naar de vaste arbeiders: ‘ze zitten nog op de wc als kwart na één al voorbij is, ze peizen dat ze zich wel wat kunnen permitteren he met zo’n jong baaske’. Nu, ochja, Martha. Dat ze onze bezwete t-shirts nu moet meewassen is er waarschijnlijk te veel aan.

Of neem nu jommekeskopmiddenscheiding met bril, laten we hem voor het gemak Jens noemen, want zo heet hij ook. Ik mocht vanochtend bij Jens starten, jeuj, gezellig, camions uitladen: sá-men. Lees: hij zet de palletten klaar. Ik mag de (may I mind you: zéér zware) dozen stapelen. Tot laag vier gaat dat, daarna (laag vijf en, ochja, met een stoelke dan maar, laag zes) begeeft mijn rug het. Van een man zou u toch ook verwachten dat híj ze stapelt, en dat ík met de transpalet (jeuj, de transpalet!) mag rondrijden. Niet dus. Dan mocht ik hemden en kostuums aan rekken hangen. Maar die rekken die drie meter boven mij hingen waren toch wel wat te hoog voor mijn 1 meter vijfenzestig centimeter. Toen ik hem dan maar mededeelde dat het niet echt ging zei hij: ‘het gaat misschien niet gemakkelijk, maar moeilijk gaat ook he meiske, ge moet maar een stoel gaan halen’. Nu, ik kon het nog verdragen, tot mij opeens werd gezegd dat hij daar ook nog maar sinds maandag werkte (en daar dus niet vast werkt, want dát zou ik nog kunnen verdragen) en dus geenszins zo hautain en vooral betuttelend mag doen. De sukkel. En vervolgens maar zeggen wat ik moest doen, wat ik moest laten, dat ik op achterkanten van facturen schreef (die ik trouwens persoonlijk van de ‘baas’ gekregen had als kladpapier) en dan gaan klikken dat ik waarschijnlijk toch wel een grote fout had gemaakt, en of hij eens kon kijken waarop ik geschreven had? Het lag niet aan de baas zelf hoor, die zijn facturen aan u geeft als ge achter kladpapier vraagt, het ligt aan ú dat ge dat niet gezien hebt. Nu, ik kreeg toch wel mijn gelijk – ik mócht op die facturen schrijven – en hij droop af met zijn staart tussen zijn benen. (Ik heb er dan ook des middags eens goed met mijn kar tegen gereden: “oei, ik had u niet gezien!!'” (met veel uitroeptekens om het geloofwaardiger te maken), van zulks dingen word ik chagrijnig).

Of als gij u in ’t zweet aan’t haasten zijn (terwijl twee van de vier andere ‘orderpickers’ nauwelijks vooruitgingen) nog eens opgejut worden door diezelfde ‘baas’ dat alle orderpickers wat rapper mogen gaan werken. En scheef bekeken worden als ge weigert een overuur te doen. Ik gsm niet stiekem achter de dozen legerbroeken. Ik leg geen koeken tussen de beschermhoezen van de kostuums!

En als het vier uur wordt, begint één minuut er op vijf te lijken. Constant wordt er op de klok gekeken, terwijl er naarstig rondgezwalpt wordt met stapels broeken. En dan als het vijf wordt, rept ge u naar uw gsm en uw eten, trekt ge die mottige werkt-shirt uit, wrijft er speciaal voor Martha nog eens goed uw handen aan af en loopt ge de frisse buitenlucht tegemoet. Eindelijk vrijheid!

Om nog een half uur naar huis te fietsen.

(Ivan Heylen kent het leven van nen werkmens goed:

’s Maandags zijn we ziek
Dinsdags zijn we moe
’s Woensdags is ’t halfweg
en ’t donderdags zijn w’aast zot
En ’s vrijdags ist de loaste
En dan drinken wons allemoal zat
)

And so be it.

Advertenties