Bewolken. hoe een mooi woord is dat eigenlijk niet?
(lijkt me een enorm lyrische handeling, ik bewolk u met mijn luchtige liefde voor u. Gelijk de hoofse ridders voor hun hoofse dames.)
Maar ’t is dus bewolkt, mistig zelfs, soms.
Niet dat ik het einde helemaal niet zie, daar zo in de verte. Ik ben er hoogstens een beetje selectief blind voor. Gelijk een waarzegster die diep in haar bol kijkt en ergens wel wat ziet, maar niet kan verwoorden wat.
Ik zie alleen dat er na dat kortbije obstakel weer een hele berg vraagtekens in ’t verschiet liggen.
Het zou mij niet mogen afschrikken.
Vroeger schrikte mij dat ook niet af.
Maar het is net alsof, door ouder en vermeend verstandiger en volwassen te worden, je je niet zomaar een foutje kunt en moogt veroorloven.
En vooraleer ik hier weer een hoop tegenwerpingen op krijg, ja, in wezen heb ik ook niets tegen een foutje, een misstap (owee, als ge zegt dat iets een misstap is, dat bestaat niet, weet wel, een misstap was altijd een stap in een andere richting. Zever, gezever. Het lijkt gewoon giga – not done om te zeggen dat je ergens in de fout bent gegaan, dat iets beter anders was geweest.)
En dan is het nog veel hipper om te zeggen dat je altijd nog terug kan,
en van daar weer helemaal verder. Dat ik in wezen nu opnieuw voor alle mogelijkheden sta als dat ik stond na mijn zesde middelbaar. (He ok maar, ik ben wel vier jaar ouder dan toen he. Hmm, klinkt niet overtuigend genoeg.)
Het is gelijk dat langs de ene kant het werken wuift ‘he meiske, kom hier, ge krijgt een saai en eentonig leven maar ge verdient wel geld, en ’t is een moedige beslissing, en ge gaat AL WERKEN OP UW 21′. En langs de andere kant ‘he, hallo, wilt ge nu echt uw schoon studentenleven al opgeven, ge zijt nog maar 21 he, ge gaat nog heel uw leven kunnen werken?’.
Okja, ik wil verderstuderen. Maar ergens kan ik niet bewust een etiket kleven op wat het nu juist is dat ik wil doen. (Maar dat hebt ge dan ook alleen maar te danken aan die uiterst vage richtingen dat ge altijd al hebt gevolgd).
En dan ergens boven dat tweesprongetje zweven uw dromen: dat ge nog eens lang en ver op reis wilt gaan. Dat ge gerust nog eens een ontwikkelingsproject wilt doen. Of een nieuw muziekinstrument wilt leren spelen. Of eens het academische opzij schuiven om wat meer met uw handen en uw lijf te gaan leren.
En dan ergens daar allemaal tussenin, dat ik bepaalde dingen nog altijd kan doen. Dat er geen chocolade is zonder te vasten, dat ik altijd een stukje moet opgeven, dat ik tegelijkertijd door dat te doen het moeilijke beslissen uitstel.
(En dat mag, zo zeggen de optimisten, stel gerust uit kind! Op uw 21e moet ge toch nog geen levensomwentelende beslissingen nemen?)
Ons ma zal dan toch gelijk hebben zeker, dat wij hier allemaal geen stappen durven zetten. Dat we maar bij ons eigen vertrouwde baantje blijven omdat ge bang zijt dat ge, wanneer ge van dat pad afwijkt, ge de roodwitgemarkeerde streepkes niet meer zult zien.
En dat ik dat eigenlijk niet wil, en wel wil, en niet wil, en wel.
En dat ik helemaal niet weet wat ik wel wil, en niet wil, en wel wil, en wat niet.

Bucht

Advertenties