Het was een zondag-maandag vol verbazingen. Uw puntenbriefke krijgen en zien dat uw slechte examen over etnische conflicten in Kosovo (en ge ging gebuisd zijn he!) op een 18 uitdraait. Zeg nu zelf, ge doet het mij niet na. Dus heb ik mezelve een schouderklopke gegeven en gezegd dat ik goed bezig ben.

De keuken van ons kot, en de larven in de douche, dat was dus een vliegen-en vliegenlarvenplaag. Die beesten hebben zich in de twee weken dat er waarschijnlijk niemand op kot zat echt wonderlijk snel vermenigvuldigd. Echt jak voos vuil en vadsig, binnenkomen op kot en de keukenvloer vol dode vliegen zien liggen (ma echt, vól: als in, zo vol dat ge de vloertegels bijna niet meer ziet tussen de kadavers). En dan ’s ochtends de gang niet indurven omdat ge hoort dat uw kotbaas aan het kuisen is en zéker de schuld in uw schoenen gaat schuiven. Ik heb die schuld dan maar in de anderen hun schoenen doorgeschoven , want ik moest dringend weg. (ik geef toe, de pot patatten-met-spinazie vol schimmel was wel ’t mijne, maar de spaghetti die daar over gekwakt is, ook met schimmel, is echt niet van mij.)

Trouwens, wie wilt er eigenlijk in ’s hemelsnaam ooit taxidermist van beroep worden? Bijna net zo erg als begrafenisondernemer. Maar hoewel de laatste noodzakelijk zijn, is de eerste dat toch amper – of zit ik hier nu weer zo mis. Ik zie ze al zitten, met twee stukskes keukenrol en stro in de aanslag en een scheve grijns van jawelste, zich verkneukelend om dat beest eens te laten rotten, op te kuisen, en op te zetten? Ik krijg hier zó Quasimodovoorstellingen van he.

R. heeft trouwens rare kotgenoten. Wanneer zijn vriend S. een schoon dood beest ziet liggen, dan neemt hij dat mee en legt het in zijn koelkast, tussen R’s kaas en salami. En als hij dan eens de tijd vind, smijt hij het beest in de grootste spaghettipot om de schedels af te koken. En ‘vergeet’ die dan voor een week op het vuur. En mocht R. dan toevallig zin hebben in spaghetti, dan mag hij eerst de afgekookte schedels eruit vissen. Zo is de vensterbank van hun living dan ook schoon versierd.

En dan was er gisteren BBQ, tussen de geiten. Letterlijk geiten dan. En er was een Nigeriaan bij die niemand kende. En die moest dan op de foto voor het antropologische nageslacht, en vlak voor de flash afgaat legt hij zijn arm in mijn nek en krijg ik daar een zoen van jawelste op mijn rechterneusvleugel gedrukt. Wat is dat toch met onze zwarte medemens? Voor een of andere reden zien die mij toch altijd zo ongelooflijk graag.

De oma van de gastman in kwestie (dit klinkt zo faux hip) verweet mij dan weer dat ik mijn patatten te klein sneed. En ik zei dat ik er een slaatje van ging maken en zij, zij trok haar neus op en mompelde tussen haar tanden door dat wij niet meer weten wat echt koken is. Patatten met rooikool en wursten zeker.

Op trein terug zat een gaper. Ik had een boek mee, maar echt élke keer dat ik opkeek keek hij mij aan. U zou misschien veronderstellen dat als ge naar iemand kijkt en ge ‘betrapt’ wordt, ge toch lichtelijk gegeneerd uw hoofd draait of wegkijkt. De gaper in kwestie niet, die bleef kijken. En de volgende keren zelf knipogen. Ik ben wijselijk van coupé veranderd. Wel pas als we in br. centraal efkes stilstonden. Ik wou niet *onbeleefd* overkomen he.

En dan was het koers in Deinze. Zou Michel Wuyts donaties van graaf ’t Kint den Roodenbeke gekregen hebben om zo lyrisch te doen over het kasteel van Ooidonk?

Advertenties