Het was de zomer na ons zesde middelbaar, en reeds vanaf de eerste zon in februari onze speelplaats verlichtte smeedden H., K. en ikzelve plannen om gedurende de daaropvolgende zomer, na het behalen van ons einddiploma, er op uit te trekken met de rugzak, including veldfles, slaapmat en slaapzak. Onze allereerste en achteraf gezien niet de laatste trektocht, en niet zomaar één: wel naar Santiago de Compostela (zeiden we om stoer te klinken, in principe ging het ‘maar’ om de eerste +/- 230 km er heen). Zeventien waren we, net nog niet volwassen, onze eerste 12 dagen durende reis alleen, en toch zaten we daar algauw tussen de vrome en/of sportieve pelgrims, met onze ‘carnet de st. Jacques’ als sleutel tot goedkope slaapplaatsen. De “tres chicas belgas” (toen waren we er bovendien nog van overtuigd dat ‘chica’ zoiets betekende als ‘uitermate mooi meisje’, hetgeen we ons natuurlijk wel lieten bevallen) gingen het eens klaarspelen, daar waren we rotsvast van overtuigd, en oh wat zag iedereen ons graag. Ik denk dat daar de microbe om rond te trekken met rugzak en in primitieve omstandigheden wel ontstaan is, om nog maar te zwijgen van (en nu gaan we lyrisch gaan doen) de verbondenheid met alles en iedereen, het meest nog tussen ons drie, maar we zouden er bij god nog gaan geloven in de essentiële goedheid van de mens en de natuur om ons heen. Zonder overdrijven was deze trektocht in al zijn primitiefheid en broeierigheid de ultieme overwinning op onszelf: speelden we het klaar om ons einddoel te bereiken dan lag de hele universitaire en hogeschoolwereld voor ons open. Nu zijn we vier jaar later, staan we voor nieuwe uitdagingen, maar helemaal niet meer zo zelfverzekerd als voorheen. Het voornemen om de twee daaropvolgende zomers de rest van de route uit te lopen hebben we niet gehaald. Nu las ik daarnet een verslag over onze oud-leraar Esthetica en Duits van weleer over zijn reis daarhenen en begint het weer te kriebelen.. En ooit….

Advertenties