Schilfers. Bewust geen verkleinwoord gebruikt om die ondingen te benoemen. Ik vind het een very high jak-gehalte hebben. Net als die dingen te zien liggen op donkerblauwe, donkerbruine of zwarte pulls van degene voor of naast u. Ik ben er goddank van gespaard gebleven. Dacht ik. Tot vanochtend na een oog in de spiegel geworpen te hebben en nadere inspectie er enkele witte pellekes in mijn haren bleken te zitten. Ok, ge moest al eens heel goed kijken om ze te bemerken. Enfin, woelde ik met mijn hand door mijn nog kortere dan ervoor-coupe, dan sneeuwde het net nog niet in het land van de mensen. Of op mijn zwarte pull. Nog net geen gruwelscènes voor de spiegel. Maar toch leverde die spiegel mij het onverbiddelijke bewijs, schilfers, en geen idee hoe dat opeens komt. Mijn haar dat de overstap van halflang naar 15 cm niet kan verdragen? De zon? Verandering van klimaat enzo?
Hanyway, daarnet zaten wij rond de keukentafel en waren we over psoriasis en schilfers bezig. Heel gezellig. Het werd tijd voor mijn bekentenis. “Last van schilfertjes”? Vroeg M. daarop, als in de eerste de beste reclamespot. “Dan moogt ge uw haren niet veel wassen”. Laat dat nu mijn tweede jukkie-jak-haar-is-voos puntje zijn. Mensen met zichtbaar vette haren, die associeer ik met gehavende gezichten en zweetgeur. “Liever schilfers dan dat!” trok ik ten strijde. Ik zal mijn hoofd wel eens een amandeloliekuur geven, de remedie van de mama, voor álles. En helpt amandelolie niet, dan is er ook nog meme’s remedie: eau de cologne, helpt naar het schijnt voor alles. Voor WO II dan, waarschijnlijk.

Geen haar op mijn hoofd (hebde em?) die er trouwens aan denkt van die shampoos te kopen. Enkel in extreme gevallen. We moeten mijn haar ook niet uitdagen, ook al zou het preventief zijn. Amandelolie for president.

Advertenties