Brillen werden op neuzen gezet, brillen werden met een nijdige ruk weer van die neuzen gesnokt. Zetels werden verschoven, lichten werden aan gedaan, uit gedaan, herschikt. Pincetten werden ontsmet, steriele gaasjes bovengehaald, ontsmettingsmiddel kwistig verbruikt. Gevloekt werd er gedaan, op de grond gestampt ook. “Ik zie hier niets”, “stomme bril ook” en “vroeger had ik dat niet!”, afgewisseld met “k had beter Jan zijne +4 bril geleend” en meer van dat vlogen in het rond. De living als schouwtoneel voor al dat drama. Meme lag met haar handen gevouwen, als wou ze het boze bezweren, in de zetel. Blik op oneindig. “Ge moet u niet opjagen” zeggend, onderwijl ons er om de twee minuten aan herinnerend dat ze het “allijk toch wel gevoelt” als ge er aan kwam. Ik was de jongste, mijn handen beven nog niet, en ik heb nog geen bril nodig. Dus vatte ik moedig post naast meme haar rechterschouder, pincet in de linkerhand en mes in de andere. Met mijn rechterelleboog meme’s schouder naar beneden duwend om snee-in-hand te vermijden wanneer ze nog eens in reflex naar haar kaak grijpt. “Pas op he wijveke”, werd me gewaarschuwd met een wanhopige blik. “Ma! Als ge ‘t nie vertrouwt gaan we naar de kliniek he”. Maar meme knikte kort, gaf haar over aan de genade gods. Wenkbrauwen gingen omhoog en omlaag, werden gefronst en weer ontspannen. En ik sneed de draadjes door, tot allen uit meme’s kaak verwijderd waren. De pepe kwam erbij staan, grommelde goedkeurend en meme’s gezicht klaarde op. Meme wou een spiegel. “T piekt maar t ziet er goed uit”, besloot ze na drie keer haar gezicht gedraaid te hebben. En ik dacht “Aha! Speekmedaille voor mezelve en mijn pas ontdekte talent”. Wordt die thesis maar niets, dan heb ik nog een roeping…

Advertenties