Een treinreis richting Leuven is meestal een combinatie van “Kilometers spoor schieten onder mij door, ik ben op weg naar jou want ik ben weg van jou” en “hij gluurt , hij gluurt, een uur heeft het geduurd, zijn blik die steeds weerspiegelt in de ruit”. Alas, gisteren van dat alles geen last gehad. De trein is fijn!!! – en altijd een beetje reizen. De zon scheen laag op de velden, waardoor al het groen een felle gloed kreeg en nog mooier groen leek dan anders. Dat in combinatie met een grijze en regenzwangere lucht en het passeren van oude half-vervallen stationnetjes in al bijna even vervallen boeregaten, en hey, je reis kan niet meer stuk. In de verte zag ik al een regenbui hangen. Gaandeweg werd de lucht effectief steeds grijzer. In de verte kleurden de wolken zwart. ‘Ha, regen!’ dacht ik. ‘Verse regen!’…waarna regendruppels zo groot als bolketten tegen de ramen opbotsten. Op zo’n moment zou je ‘t liefst je raampje opendraaien, je hoofd en haren in de wind laten hangen en keihard ‘Wihaaaaaa’ schreeuwen terwijl je de geur van diezelfde verse regen opsnuift. Regennevels stegen uit de weiden op. En ondertussen passeerden we Wetteren, Schellebelle, Buggenhout,… . Het licht maakte plaats voor het donker en vijf minuten later reed de trein uit het grijs het zwart in. ‘Ha, onweer!’ dacht ik, ‘een goed onweer!’. Ik heb dat graag. Knallen en bliksems, superharde windstoten en hoe harder de regen naar beneden klettert , hoe beter.

Langzaam reed de trein het station van Leuven binnen. Het onweer was nog steeds in volle hevigheid bezig. Hopen studenten sprongen met een gazetje boven het hoofd de trein uit. Onderwijl als een kind door plassen springend liep ik richting trap. Het regende doorheen de plastieken golfplaten heen – wat de trappen in levensgevaarlijke glijbanen veranderde. Tussen mensen met nat-haar- of ik-heb-een-hond-thuis-geur in liep ik richting uitgang station. Naturellement hadden wel meerdere mensen dat idee. De haastigen liepen dan ook tegen de wachtenden op. Even twijfelde ik om net als zovele anderen ook nog wat te schuilen – waarna ik mijn vuist in mijn zak balde en ‘door de wind, door de regen, dwars door alles heen’ dacht, ondertussen met één hand mijn broek oprollend en met de andere mijn zak door de mensenzee heen loodsend. ‘Nu!’, riep een innerlijk stemmetje, waarna ik het met mijn would-be-bottien adidasschoentjes op een lopen zette. Jas over hoofd getrokken liep ik doorheen de Bondgenotenlaan – zingend dat ik een ‘coward without courage’ was. Tot opeens een jongeman met een uitgelaten ‘hellooww!’ naast me opdoemde. Vanuit m’n ooghoeken bekeek ik hem – herkende hem niet – en met een vragende wenkbrauw en een pretty snauwende ‘ken ik u van ergens?’ wou ik hem van mijn “singing in the rain” weghouden. “Neen.. maar ik heb een paraplu” was zijn antwoord. Aldus is K. – met uitzondering van de schoenen en de valies – betrekkelijk droog thuisgeraakt. Applaus voor de jongens met paraplu’s . Applaus!

En dan heb ik mijn kamer gestofzuigd en gedweild – een mens wil immers een beetje proper zitten tijdens zijnen blok he.

Advertenties