Ik verschoot nogal gisterochtend bij het openen van mijn rolluik. Geheel in jeans en Schottvest liep daar…. een screamvent! En dan heb ik het niet over bepaalde fysische en kledingsgewijze lelijkheden (want een schott-vest noopt ontegensprekelijk tot hebben van een ‘gieeeeuuuuww-gevoel’). Wel over zo’n masker. Nu hoor ik u al zeggen dat die Scream-films toch erbarmelijk slecht waren en helemaal niet verschietachtig enazo. Akkoord. Maar toch, als ú nog maar vijf minuten wakker zou zijn, still slaperkes in uw ogen zou hebben (excusez-le-mot: ik zou hoegenaamd niet weten hoe die in’t schuun Nederlandsch heten…) en enkel zou verwachten een straat met zonlicht (zon! Halleluija!) te zien, zou ook u effe moeten slikken. Na vijf minuten nadenken (ik was nog moe, weet u wel) realiseerde ik mij dat het wederom carnaval is. En dat is nu iets dat ik ieder jaar steeds weer vergeet.
Hanyway. Carnaval was altijd leuk. Dan mochten we gezelschapspellekes spelen in de klas (krokodil met kiespijn enzo, weet u nog), met pantoffels aan ons voeten. En met serpentines en zelfgemaakte confetti gooien (ik zie mij nog bezig de avond vòòr carnaval, met gekleurde bladeren en een perforator…). En we kregen een eclair. En we mochten zingen van je “vrienden, kom zit neder in de ronde, en genieten wij van deze stonde! Altesamen opgeruimd en blij, schuif wat dichterdichterdichterdichter bij-hij-hij, altesamen opgeruimd en blij, schuif wat dichterdichterdichterdichterbij!”. En daarna was het stoelendans!
En dat allemaal was net iets fijner dan als Sinterklaas kwam, want vanaf je derde leerjaar heb je daar al helemaal niets meer aan. “He K., kiiijjjjkkkk ! Ge ziet een stukje wit been bij Zwarte piet!”.
Maar Carnaval was ook wel een beetje saai: veel clowns en veel prinsessen. En de jongens indiaan enzo. Of turtle of power ranger. Maar garantie: meisjes waren ofwèl prinsessen ofwèl feeën (in alle soorten). Alleen Sarah B. niet. Sarah B. was zo iemand die altijd moest opvallen. En wij konden dat niet af natuurlijk, that’s for sure. Terwijl wij allemaal met ons prinsessenkleedje pronkten, kwam zij nog maar toe op school en daar werden de blikken van de jongens al reeds als ware deze magneten richting andere magneet, that is Sarah B., gezogen. Sarah B. was immers geen prinses, ohnee, zij was Pippi Langkous! Inclusief twee staarten opzij, die met ijzerdraad en een ingewikkelde constructie (er eindigde iets vanboven op haar kop dat subtiel weggestoken werd door een fakebloem ofzo. En als je daarop duwde had zij pijn! Ahaha !) geacht werden om een namiddag staart-trekken te doorstaan. En ze had witte netkousen (!) aan. En haar sproeten, daarvoor had ze een bruin kohlpotlood van haar moeder geleend. Maar hell, Pippi Langkous: wat een vernieuwing!
Eén troost: met haar is het nooit meer goedgekomen. Mwoehaha.
Advertenties