bolketten en chinezen
februari 22, 2008
Wanneer ik met zus en buurmeisje, achternagezeten door het neefje van de pastoor, en met mickey-mouse en donald-duck boekentas op de rug langs de kerk naar huis kwam geslenterd, ging het altijd wel over wat ene of gene in de klas had uitgespookt, wat meester Ee, Pee of Jiepie had gezegd, of over al de kinderwereldschokkende gebeurtenissen tijdens de speeltijd. Toen ik om 4 uur mijn boterham kreeg en mama informeerde naar hoe het geweest was op school kon niets mijn opwinding of teleurstelling verbloemen als er nieuwe rages waren opgedoken (jeuj voor het springtouw, awoert voor de voetbal). Op de lagere speelkoer ging alles in vlagen. Was het enkele weken windstil en nam iemand een springtouw mee, dan werd er de komende maanden niets anders gedaan dan gespringtouwd. Ooit was ik zo fier als een gieter dat ik een ‘nieuwe rage’ ontketend had op school (hinkelen, jeuj!) dat ik zowaar een beetje sentimenteel werd bij het lezen van de commentaren bij meneer Inghels.
Net zo leuk als over de winterochtendlijke bevroren plassen glijden (ik wou slieren zeggen, maar dat verstaan ze klaarblijkelijk enkel in een straal van 5 km rond hier), in gigantische wastouw-springkoorden springen en er-is-een-vrouw-vermoord, aan een gordijnenkoord zingen, was met de benen open op de dorpel van de ‘galerij’ gaan zitten, de knikkers op het randje van de goot leggen, met een steentje een weloverwogen lengtemaat aanduiden en je marchandise luidop aanprijzen.
Twintig centimeter voor een olie. Veertig centimeter voor een Chinees. Een meter voor een bolo. Een halve meter voor een rijtje van drie halve manen. Ik was kampioen in pruillip opzetten en te vermelden dat degene die mijn knikker afschoot toch wel ‘gepoot’ had, en de afgeschoten knikker dusdoende helemaal niet als ‘afgeschoten’ kon worden beschouwd, idem door te suggereren dat hij waarlijks mijn afgebakende lijn niet had gerespecteerd en alle gewoontjes waar hij mee schoot, en die in de goot beland waren, bijgevolg dus ook de mijne waren. Mijn lengtes waren ook altijd veel te groot, dat spreekt.
Dan kwam ik thuis met mijn door mama genaaide knikkerzak die in vergelijking met die van broer maar magertjes uitviel. Legde ik eens iets, dan had ik wel een grote mond maar dat was vooral om de heilige schrik om er eentje te verliezen te verdoezelen. Als ik een ‘afschietpoging’ ondernam en die mislukte, zat ik een hele middag te treuren om het verloren gewoontje zodat ik het enkele keren zelf gewaagd heb om half huilend naar de ‘hogerejaars’ te gaan en te vragen of ik a.u.b. niet mijn olielamp terugkreeg, want ik had die zelf moeten betalen en nu was ik die kwijt. En ween ween huil huil. Wat meestal ook wel lukte, maar mijn knikkernaam werd zodoende al even snel besmeurd als de knieën van onze broeken. Knikkerrage op school, dat was dus ook de tijd om de broek aan te trekken met beschermende lappen op de knieën, ’s avonds door de mama met veel liefde erop genaaid om de gaten te bedekken.
Maar als kleine buk keek ik dan ook met veel ontzag op naar de groten die het aandurfden om een multi te leggen, en aldus knikkerzakken vol knikkers te vergaren. Voor hen werd de meest strategische plek van allemaal voorbehouden: de kant van de Nieuwstraat. Van alle kanten werd de multi gebombardeerd, nog niet in het minst door de gelukzak die in een vergeten hoekje of putje een knikker had ontdekt en die als een kostbare schat inzette om toch maar het hoofddoel af te schieten. De stoere jongens lagen met één toegeknepen oog op hun buik en maanden de meisjes aan om hun territorium niet te betreden. Want wij waren gemakkelijke zondebokken, zeker als we snel van de ene kant van de toeschouwerrij naar de andere kant wouden springen. Een multi leggen, dat stond ook gelijk aan een week naam en faam in de annalen van ons schoolke.
Maar er werd ook gefraudeerd: in plaats van bolketten werden er ronde sjiekebaksjieken gelegd. Of werd er twintig frank voor een bolo gevraagd. En als het regende, was de hele school collectief in de rouw omdat onze galerij te klein was.
Maar om op de commentaren terug te komen:
Wij kenden geen ketsers, spikkels, sliertjes of smurfen. Wat mij doet veronderstellen dat knikkernamen inderdaad streekgebonden zijn. Bij ons waren het bolo’s, halve bolo’s, multi’s, mega’s, turtles, halve manen, olies, ninjas, gewoontjes, stekkers, minis, lampen, wratten, mega’s en reuzen, en chinezen.
De naam van de blauwe met een rood/geel/groen/oranje streepke alsook de zwarte met een wit streepke kan ik mij niet meer herinneren.
Bij u?
Waar zou men toch die IRR mogen steken?
februari 1, 2008
Wijl alle normale studenten uit normale richtingen sinds vandaag officieel examenloos zijn, is het hier nog enkele zaterdagochtendelijke uren stressen alvorens we er voor dit semester alweer vanaf zijn. En momenteel hangt de naderende nacht als a kind of zwaard van Damocles boven mijn hoofd. Van nature ben ik een relatief grote stresser in ‘één-dag-voor-het-examen’-tijden maar de stresspieken bereiken as we speak toch wel een historisch hoogtepunt (de laatste keer moet geleden zijn van het vak met de zwaargeladen titel ‘historische kritiek’, waarbij ik de nacht ervoor een knoop in mijn maag kreeg en zure oprispingen omdat ik droomde over ‘casus’ en ‘Sabra en Chatilla’ en ‘twee uur’ en ‘meerkeuzevragen’.) Nu, dat vak is zonder kleerscheuren in orde gekomen dus ik veronderstel dat het morgen ook wel zal gaan, ook al word ik al wat wit rond mijn neus als ik denk aan het naderende moment dat ik die vijf jaren verborgen rekenmachine op het examen opnieuw moet bovenhalen en goed nadenken over wat nu weer de volgorde der bewerkingen is. En de haakjes niet vergeten. En voor mijn eigen gemoedsrust blijf ik selectief blind voor het merendeel van de oefeningen.
Morgen er vanaf zijn, dat betekent eveneens het aanbreken van het vet in de agenda onderstreepte event ‘examens gedaan koppelteken pintje drinken met de hoop’. En dat was ik ook van plan, buiten sul X van het interimkantoor gerekend, die mij vandaag, nota bene nadat ik zelf had moeten bellen om te weten wat mijn werkuren voor volgende week waren, gezegd had dat ik morgen ‘moest’ beginnen. Ja morgen, om 9 uur, nochtans goed wetende dat ik dan mijn laatste examendag had. Echt, het scheelde niet veel of hij had mij nog gevraagd of ik dat examen echt niet kon verzetten. In concreto: examen gedaan, weg pintje, heihoo winkelwerk. Interimkantoren zullen nooit mijn beste vriend worden.Vakken met het woord management in trouwens ook niet.
Nu morgen dus, het keuzevak waar ik al het meest spijt van heb gehad dat ik het ooit vrijwillig gekozen had en waar ik het minst vanaf weet. Met statistieken en functiebepalingen enzo.
Zij die gaan sterven….
(Wat het lopen betreft momenteel al de Coopertest ruimschoots overwonnen)
Goed voornemen I
december 27, 2007
Vanaf 2 januari ga ik gezwind beginnen trainen. Kinesisten in de familie die bij wijze van nieuwjaarsgeschenk een loopschema onder uw kerstboom schuiven zijn een zegen voor uw lijf. Met als plan ergens begin november 21 km te lopen. Het zal wat worden, als ge weet dat ondergetekende na 12 minuten coopertest met grote zwarte dansende bollen voor de ogen in het gras moest gaan liggen om te recupereren. Of na scholencross door twee vrijwilligers ondersteund (armen in de lucht meiske! en goed ademen!) net niet richting podium werd afgevoerd om een beetje te drinken. Wat vanzelfsprekend ook mijn karakter dat van geen opgeven weet onderschrijft, hein.
Voor week één staan er twintig minuten in totaal op het programma. Fel hé. De volle twintig minuten op één week. En dat zónder Evi.
Eens zien hoe lang ik het vol ga houden.
Stille oudekerstnieuwjaarsavond nacht
december 22, 2007

Het moet warm zijn op oudejaar. Liefst ook op kerstmis. Niet buiten, maar binnen. Wij vrouwen moeten onze jurkjes kunnen dragen. Mèt spaghettibandjes desnoods. Omdat we niet mooi zijn met een trui aan over ons schoon kleedje. Omdat die trui verbergt wat daaronder verscholen zit.
De mannen moeten grappig zijn, met kerstmis. Maar vooral op oudejaar ook. Ze moeten grappig zijn en vertellen, ons doen huilen van het lachen, waarna ze ons in hun armen keilen en door de kamer dansen. Ze moeten mij bubbels geven, en nog wat meer, zodat al die feestelijke belletjes tot ontploffing komen in mijn hoofd.
En de wereld voor even een grote bubbel lijkt.
Want zo is het toch weer elk jaar hetzelfde. De bubbels vloeien rijkelijk, de nootjes worden in de lucht gegooid en door onze monden opgevangen. Op ’t nieuwe jaar! De nieuwe lieven in de familie worden in het middelpunt van de aandacht geplaatst. Jammer dat dat telkens weer tegenvalt.
De dooppeter roept de hemel erbij, godallemachtig dat ik nog steeds geen…, waarop hij met zijn vlakke hand op mijn rug slaat, ik me net niet in een zouten Tuc-koek of kaasblokje verslik en mij ‘een goe lief vandejoare’ toegewenst wordt. Voor de elvendertigste keer, om eens origineel te doen. En dan zeg ik ‘merci hoor’ voor zijn centjes, schrijf als ik zin heb nog een nieuwjaarskaartje in ruil voor zijn twintig euro. Zeg nog eens merci aan de pepe en krijg een natte zoen van meme.
Het eten moet goed gepresenteerd zijn, met kerstdag. Er moet een beetje peterselie op vanboven, omdat het oog ook wat wilt. Liefst iets groen. Bieslook mag ook. De soep is weer niet zout genoeg. Pepe kapt de halve pepermolen erbij. De vol-au-vent in de videekes gedaan. En dan wordt het wachten tot het dessert op tafel komt, omdat daarna het startsignaal wordt gegeven om weg te mogen gaan. Dag, ‘t was leuk, merci en tot volgend jaar. En nog een goed jaar!
Kerstavond zelf wou ik altijd al stille-nacht-zingend onder de kerstboom doorbrengen, onderwijl Gabriël die aan een kerstboomtak boven de stal hing de lucht in katapulteren. En helemaal geen jezuke is geboren hallelujah hallooo. Wel herdertjes die bij nachte in het veld lagen, waarschijnlijk glühwein drinkend om hun tocht naar Bethlehem aangenaam te maken. Maar het wordt altijd: gourmet en een cadeautje, en gaap gaap, 12 uur, tot morgen. Altijd opnieuw. Vondet een wijs cadeautje?
De enige realiteit die nog bestaat is het huis van het feest, op oudejaar. Waar we tegen elkaar botsen omdat we met teveel zijn, en er zoveel en eigenlijk ook niets wordt gezegd. Er worden plannen gemaakt voor de eerste uren van 2008, op oudjaar. Met een beetje geluk belanden we dit jaar niet in het ziekenhuis. Niet-vervulde voornemens worden weggelachen, nieuwe worden niet meer gemaakt want haha, die komen toch nooit uit.
Ge hebt uw eigen wensen, met nieuwjaar. Ge wilt die liefst niet onder woorden brengen want dan wordt de vurigheid ervan afgezwakt. Ge durft ze ook niet luidop spreken, zodat ge later niet op uw woorden gepakt wordt. Of ge wilt vergeten dat ge ze ooit gedroomd hebt, om er niet met spijt aan terug te denken als ge uw huisje tuintje en kindje hebt.
Ge weegt en wikt nogal wat af op oudjaar. Cava of champagne? Fondue of gourmet? Bob of bobette? En ge beseft dat het nogal dom is om daar lang bij stil te staan, maar ge doet het toch, want onbezonnenheid voor ge begint wordt een kater, later.
Ge loopt naar buiten om de duizenden euro’s die de lucht ingeschoten worden te zien. Beseft dat het toch maar koud is met uw nylonkousen in uw botjes. Lacht met de buren en wenst de halve straat, ook al spreekt ge er anders nooit mee, een goed jaar.
Ge denkt tien dagen op voorhand al aan de kleren die ge zult aandoen. Pakt de avond zelf dan toch maar iets normaal uit uw kast, omdat chique gekleed zijn, zelf al is het voor één dag, toch wel raar aanvoelt. Ge denkt dat het weer allemaal zo alledaags oudejaar gaat zijn. Hallo, eten, drinken, dansen, lachen. Dertien in een dozijn. Oudjaar is nooit leuker dan andere avonden waarop ge weggaat. En toch kijkt ge er naar uit, ook al weet ge dat het niet zo leuk wordt als die spontane feestjes waar ge al dansend door de zetel zakt. En ge uitglijdt op het wegschuivende tapijt, met uw ene been in bijna-spagaat en uw arm met champagneglas rechtop; gelukkig nieuwjaaaaaaaaaahgh.
En haha enzo.
Toch mijn beste wensen voor allicht.
Leve de rode kaken en de melktanden!
december 12, 2007
Ik wil, ik wil, ik..
december 8, 2007
25 november, 15 jaar of langer geleden.
Het was juist mijn verjaardagsfeestje geweest en het was leuk geweest. De schat van de muzikale doos zat vol rode plakkerige lekstokken, en ik had cadeautjes, man wat had ik veel cadeautjes. Languit uitgestrekt over ons tapijt lag ik met het topje van mijn tong uit mijn mond mijn nieuwe Flintstones-puzzel te leggen. Rechttegenover mij zat zus nog half verkleed mijn andere cadeautjes te begapen. De hele middag waren we binnen gebleven, en hadden we onze kamer vol doeken gehangen om een spookhuis te maken, want het was te koud buiten. Het had zelfs gesneeuwd – sneeuw die bleef liggen bijgod. De vorige dag had ik in plaats van een sneeuwman te maken (ik kon er de hoogste bol toch nooit opkrijgen) dan maar een sneeuwhond gemaakt. En ik was best trots op mezelf voor die uitvinding – een sneeuwhond, in sneeuw! Wow.
Maar mama stond achter het fornuis soep te koken en riep dat we toch maar even buiten moesten gaan, om wat frisse lucht op te doen. Weinig zin om ons te be-oorwarmeren, besjaalen en behandschoenen en hevig protest mocht niet baten, we kregen een lek niveacrème op ons gezicht en hup de koude in. Onze tenen werden algauw ijsklompen maar dat mocht de pret niet bederven. Papa had de vorige avond alle sneeuw van het plankier geveegd en had er emmers water opgegoten, zodat wij een gi-gan-tische privé-schaatspiste hadden. En gleden dat we deden- niet te doen.
Enkele jaren later – bijna kerstvakantie.
Het was koud, ijskoud. De Oude Leie lag helemaal toegevroren en van heinde en verre kwam men naar ons dorp afgezakt om en plein air op de Leie te schaatsen. Het was zo koud dat zelfs de nieuwe Leie een dag toelag – en enkele onverlaten op het idee kwamen om daarop te ijshockeyen en daar waar de rioolbuizen in de Leie uitmondden door het ijs zakten en dan maar in nat-koude kleren naar huis mochten fietsen. Het was zo koud dat de elfstedentocht doorging, en wanneer we niet op het ijs stonden dan zaten we ons voor de tv te vergapen op de volksgekte die zo’n tocht met zich meebrengt. En we supporterden voor den Belg, want er zat een goede Belg bij, indertijd. Iedereen van ons gezin werd voorzien van schaatsen uit de kringwinkel, of afdankertjes van buren. En ik geloof dat ik de hele vakantie niet anders gedaan heb dan geschaatst en mijn tenen in warm water steken en geschaatst en mijn vingers in het warm water steken tot alles begon te tintelen en te ontdooien.
En nu is het acht december, is Sinterklaas al weer twee dagen naar Spanje verbannen, is het bijna kerstmis en ik zeg u: het is niet eens koud! Ik moet nog niet eens het vuurtje op mijn kamer aansteken als ik zit te typen. Het is zelfs nog niet nodig geweest om mijn dikke wolle kousen boven te halen. Mijn lippen zijn nog niet gesprongen. Mijn neus loopt nog niet. Het nat haar dat onder mijn muts vandaan piepte is nog nooit bevroren geweest, zodat ik het kon afkraken. Ik heb nog geen sneeuwbal gegooid!
Allezjong- ik wil winter.
Dá wil ik:
Het mijne!
december 5, 2007
UGent wilt mee met de tijd, vanaf nu worden papers niet meer louter in papieren versie ingediend maar als elektronische versie op Minerva geplaatst. Normaal gezien gebeurt dat onder ‘dropbox’, dat is, jij dropt daar je document en enkel uw prof kan dat lezen. Prof wou echter interactie en ‘leren van elkaar’ ondersteunen en ontsloot bijgevolg enkel de studentenpublicaties. Studentenpublicaties die publiek en vrij downloadbaar zijn, iedereen kan de paper openen van iedereen en lezen wat hem/haar aanstaat. Geen probleem tot daar aan toe, want dat het u wat motiveert tot ‘beter schrijven’ is een feit. Hoewel ik niet wil zeggen dat ik dat tof vind, dat ze zomaar allemaal uw paper mogen bekijken.
Enfin, ik heb er hard op gezwoegd, was dan ook (typisch) te laat begonnen met het schrijven. Maar zondagavond was hij klaar. Met veel blijheid smijt ik hem als een van de eersten online, want dan ben ik daar ook alweer van af. Zondagavond, dat was 2 dec. Deadline paper: 3 december om 17u.
Daarnet besluit ik om eens te kijken naar de andere papers. En vooral degenen die hem te laat hebben ingediend, dus ik druk ’sorteren op datum’. 5 december (vandaag, twee dagen te laat) werd een nieuw document gepost. En tiens! Met gedeeltelijk hetzelfde onderwerp als het mijne! Al wat ambetant omdat iemand bijna hetzelfde onderwerp heeft als ik, open ik het document om er mijn kritisch oog over te laten dwalen. En bemerk dat er copy-paste uit míjn paper is gedaan. Geen alinea’s, wel delen van zinnen, delen van gedachtengangen, wel identieke bronverwijzingen, niet letterlijk mijn verwoordingen maar wel mijn verwoordingen met andere woorden. En vaak!
Ok, drie dagen te laat, dat zou in principe afgekeurd moeten worden. Maar ik vrees dat ze nog flexibel zijn bij ons. Bovendien valt het ook niet zwart op wit te bewijzen, edoch: ambetant word ik daarvan! Meer dan ambetant…
Ritual Fertility
november 27, 2007
Lords of the New Church… ik kende ze niet tot ik het origineel wou weten van Nouvelle Vagues ‘dance with me’ – waarop het absoluut onmogelijk is om mijn heupen stil te houden. En terwijl ik het liedje van NV al betrekkelijk goed vond kon ik jullie het origineel zeker niet onthouden.. en al zeker niet de gestes èn ontblote schouder van de leadzanger.
(Let vooral op zijn move bij ‘bondage’.)
Maar NV’s linedanceclip moet er niet voor onderdoen.
Oordeelt zelf!
Vi-trienen.
november 20, 2007

Toen we nog klein waren probeerden we ze al eens te tellen op weg naar Gent. En steeds kwam het er op neer dat het onbegonnen werk was, keek je links dan zag je diegenen die rechts van de baan lagen over het hoofd, en vice versa. En kwam je dan uiteindelijk toch bij de Sterre aan, kwam mijn getal nooit overeen met dat van mijn zus. En als wij dat maanden later nog eens opnieuw probeerden, deze keer voorzien van papier en balpen, bleken er alweer een heleboel nieuwe bijgekomen te zijn. Hoe dan ook, het aantal klopte nooit – de hoerekotjes op de Kortrijksesteenweg.
Het is ware concurrentieslag op de vrije(n)markt, dacht ik al eerder dit jaar. En dat dacht ik dan voornamelijk als ik gezwind naar het centrum onzer stad fietste en ze naar me zwaaiden. En ik, niet-wetend wat gedaan, schroomvol mijn blik afwendde. Zwaaien ze nu ook al naar vrouwen? En ik vanaf dan steeds mijn blik op een punt in de verte fixeer wanneer ik voorbij moet fietsen. Of toen ik van de Colruyt kwam, zij met zijn tweeën stonden te dansen en alles wel zeer goed lieten shaken. Zij wierpen kushandjes naar voorbijgangers, of lieten hun deur naar buiten openstaan, zodat flarden door de wind verstrooide R&Bmuziek je blik onwillekeurig naar hen deed glijden.
Nu, in het kleine stukje Kortrijksesteenweg tussen huis en centrum waar ik nu over spreek, zijn er maar twee kotjes. De Flash en de Pussycat (nu weet je ook alweer vanwaar Boma zijn mosterd haalde). Terwijl het eerste strategisch bijna recht tegenover de uitgang van de Colruyt gelegen is, heeft het tweede heel wat minder troeven uit te spelen. Het zat er al langer aan te komen dat veranderingen noodzakelijk waren.
Toen ik daarnet naar huis fietste, kwam ik twee potige mannen tegen. Een brede grijns op hun gezicht, werkhandschoenen aan, en een John Wayne-walk alsof zij te lang op het zadel van een paard gezeten hadden. Stappend richting de Pussycat. Ik dacht nog, het is nog maar 12 uur!, toen ik zag dat zij naar karuur drie liepen, die olijk fluitend boven de vitrine hing om daar de neonlichten te vervangen. Vandaar dat hun oogskes zo blonken.
So what’s on tonight: als ik vanavond om 22 u mij richting huis begeef, zal ik u eens zeggen waar ik er zag binnengaan. En of de lichten tellen of het heupwerk.
visnetcriminaliteit
november 12, 2007
Het was I (l) Techno dit weekend en dat hebben we geweten. Fiets gaan zoeken tussen de duizenden anderen aan het station van Gent. Twee banden plat gestekt.

