Ode aan Emiel

juli 30, 2007

Ik was op reis en sliep op campings met te veel Hollanders, ik mountainbikete en ik lag nachtelijk in de tent met een uren durend onweer boven mijn hoofd. “Hoe zou het nog zijn met Emiel Goelen” plachtte ik toen nog te denken, ineens een beetje verlangend naar een hotelkamer met minibar. “Oh Rita, dit is een schitterend hotel, maar helaas is er geen safe op de kamer”, “Zeg dat wel Emiel, maar de mini-bar maakt veel goed”. “Wees gewaarschuwd: op foto ziet het zwembad er veel groter uit dan in het echt.” U keek toch ook?

goelenmm.jpg

Indertijd hadden Barbara en ikzelve zelfs speciaal een gedichtje van en voor Emiel gemaakt, dat ik u niet kan onthouden..

“Goelen Emiel, trekt aan zijn wiel, trekt aan zijn kerre, heel den boel valt omverre.”

En daar,  tussen de donderslagen door, dichtte ik voor Emiel

“O Emiel Goelen
met uw duizenden smoelen
komt gij ooit nog eens terug op teevee
en brengt ge dan Rita van Neygen weer mee?”

Tis hier een beetje stil, maar ik ben veel weg en veel bezig.

tral.jpg

Wie kan raden waar dat dit was krijgt 10 kronen van mij.

revitalization

juli 9, 2007

Het was een zondag-maandag vol verbazingen. Uw puntenbriefke krijgen en zien dat uw slechte examen over etnische conflicten in Kosovo (en ge ging gebuisd zijn he!) op een 18 uitdraait. Zeg nu zelf, ge doet het mij niet na. Dus heb ik mezelve een schouderklopke gegeven en gezegd dat ik goed bezig ben.

De keuken van ons kot, en de larven in de douche, dat was dus een vliegen-en vliegenlarvenplaag. Die beesten hebben zich in de twee weken dat er waarschijnlijk niemand op kot zat echt wonderlijk snel vermenigvuldigd. Echt jak voos vuil en vadsig, binnenkomen op kot en de keukenvloer vol dode vliegen zien liggen (ma echt, vól: als in, zo vol dat ge de vloertegels bijna niet meer ziet tussen de kadavers). En dan ’s ochtends de gang niet indurven omdat ge hoort dat uw kotbaas aan het kuisen is en zéker de schuld in uw schoenen gaat schuiven. Ik heb die schuld dan maar in de anderen hun schoenen doorgeschoven , want ik moest dringend weg. (ik geef toe, de pot patatten-met-spinazie vol schimmel was wel ‘t mijne, maar de spaghetti die daar over gekwakt is, ook met schimmel, is echt niet van mij.)

Trouwens, wie wilt er eigenlijk in ’s hemelsnaam ooit taxidermist van beroep worden? Bijna net zo erg als begrafenisondernemer. Maar hoewel de laatste noodzakelijk zijn, is de eerste dat toch amper – of zit ik hier nu weer zo mis. Ik zie ze al zitten, met twee stukskes keukenrol en stro in de aanslag en een scheve grijns van jawelste, zich verkneukelend om dat beest eens te laten rotten, op te kuisen, en op te zetten? Ik krijg hier zó Quasimodovoorstellingen van he.

R. heeft trouwens rare kotgenoten. Wanneer zijn vriend S. een schoon dood beest ziet liggen, dan neemt hij dat mee en legt het in zijn koelkast, tussen R’s kaas en salami. En als hij dan eens de tijd vind, smijt hij het beest in de grootste spaghettipot om de schedels af te koken. En ‘vergeet’ die dan voor een week op het vuur. En mocht R. dan toevallig zin hebben in spaghetti, dan mag hij eerst de afgekookte schedels eruit vissen. Zo is de vensterbank van hun living dan ook schoon versierd.

En dan was er gisteren BBQ, tussen de geiten. Letterlijk geiten dan. En er was een Nigeriaan bij die niemand kende. En die moest dan op de foto voor het antropologische nageslacht, en vlak voor de flash afgaat legt hij zijn arm in mijn nek en krijg ik daar een zoen van jawelste op mijn rechterneusvleugel gedrukt. Wat is dat toch met onze zwarte medemens? Voor een of andere reden zien die mij toch altijd zo ongelooflijk graag.

De oma van de gastman in kwestie (dit klinkt zo faux hip) verweet mij dan weer dat ik mijn patatten te klein sneed. En ik zei dat ik er een slaatje van ging maken en zij, zij trok haar neus op en mompelde tussen haar tanden door dat wij niet meer weten wat echt koken is. Patatten met rooikool en wursten zeker.

Op trein terug zat een gaper. Ik had een boek mee, maar echt élke keer dat ik opkeek keek hij mij aan. U zou misschien veronderstellen dat als ge naar iemand kijkt en ge ‘betrapt’ wordt, ge toch lichtelijk gegeneerd uw hoofd draait of wegkijkt. De gaper in kwestie niet, die bleef kijken. En de volgende keren zelf knipogen. Ik ben wijselijk van coupé veranderd. Wel pas als we in br. centraal efkes stilstonden. Ik wou niet *onbeleefd* overkomen he.

En dan was het koers in Deinze. Zou Michel Wuyts donaties van graaf ‘t Kint den Roodenbeke gekregen hebben om zo lyrisch te doen over het kasteel van Ooidonk?

Het was de zomer na ons zesde middelbaar, en reeds vanaf de eerste zon in februari onze speelplaats verlichtte smeedden H., K. en ikzelve plannen om gedurende de daaropvolgende zomer, na het behalen van ons einddiploma, er op uit te trekken met de rugzak, including veldfles, slaapmat en slaapzak. Onze allereerste en achteraf gezien niet de laatste trektocht, en niet zomaar één: wel naar Santiago de Compostela (zeiden we om stoer te klinken, in principe ging het ‘maar’ om de eerste +/- 230 km er heen). Zeventien waren we, net nog niet volwassen, onze eerste 12 dagen durende reis alleen, en toch zaten we daar algauw tussen de vrome en/of sportieve pelgrims, met onze ‘carnet de st. Jacques’ als sleutel tot goedkope slaapplaatsen. De “tres chicas belgas” (toen waren we er bovendien nog van overtuigd dat ‘chica’ zoiets betekende als ‘uitermate mooi meisje’, hetgeen we ons natuurlijk wel lieten bevallen) gingen het eens klaarspelen, daar waren we rotsvast van overtuigd, en oh wat zag iedereen ons graag. Ik denk dat daar de microbe om rond te trekken met rugzak en in primitieve omstandigheden wel ontstaan is, om nog maar te zwijgen van (en nu gaan we lyrisch gaan doen) de verbondenheid met alles en iedereen, het meest nog tussen ons drie, maar we zouden er bij god nog gaan geloven in de essentiële goedheid van de mens en de natuur om ons heen. Zonder overdrijven was deze trektocht in al zijn primitiefheid en broeierigheid de ultieme overwinning op onszelf: speelden we het klaar om ons einddoel te bereiken dan lag de hele universitaire en hogeschoolwereld voor ons open. Nu zijn we vier jaar later, staan we voor nieuwe uitdagingen, maar helemaal niet meer zo zelfverzekerd als voorheen. Het voornemen om de twee daaropvolgende zomers de rest van de route uit te lopen hebben we niet gehaald. Nu las ik daarnet een verslag over onze oud-leraar Esthetica en Duits van weleer over zijn reis daarhenen en begint het weer te kriebelen.. En ooit….